'En hij had een gat in zijn hand. Als ik hem niet in toom had gehouden waren wij met een deurwaarder uit ons huis gezet. Altijd iets weggelegd, elke week. Elke week als ik mijn cheque ging halen zette ik iets op de spaarkas. Ik haalde eten in huis voor heel de week en dan kwam uw vader thuis met een kameraad, zij zongen 'de Parelvissers', dronken al het bier en aten al het eten van die week op. Dan was het heel de week haring. Zijn kameraden waren meestal vissers. Hij had dan zo'n leute als hij ze hoorde vertellen over een bastaard van een motor die midden in de zee, aan de Groene Bank, ontploft was en hoe de Russen het schip moesten meeslepen en de bemanning uitlachten, want ze trokken die stomme Belgen door de zee mee recht naar Rusland. ''Geef die mensen nog een Pereltje," riep hij dan, mijn Basiel. ''Allee, nog een Pereltje." En ik schonk dat Pereltje lijk of dat ze in een cafe zaten. En ze zongen 'de Parelvissers' in twee stemmen, wat zeg ik? in zes stemmen. Filibert was er ook bij, een blinde, die altijd maar over zijn hond Floris begon die hij had laten doodgaan van de honger. Ik zeg: ''Maar Filibert toch, waarom hebt ge mij niet om wat afval gevraagd, voor Floris?" "Ach, Amelie!" zegt hij tegen mij, ''ik vraag u al zoveel eten voor mijzelf." Ik zeg: ''Wat geeft dat nu?" "Nee," zegt hij, ''ge moogt nooit met twee tegelijk vrijen." Ik zeg en 't was er uit voor dat ik het wist: ''Waarom niet? Als ge de plaats maar verdeelt!" Iedereen lachte, maar ik kreeg een klets van Basiel dat ik er 's anderendaags nog sterren van zag. Nu zie ik ook sterren, maar 't zijn andere, 't zijn zwarte sterren.

't Zijn eigenlijk geen sterren, maar zwarte motten.'

==

Louis beschreef zijn wandeling op de Gras- en Korenlei, de gildehuizen, de renaissancegevels, de barokke sierlijkheid, de puien en luifels en het gouden schip boven op een nok. 'Een droom! De middeleeuwen zelf!'

'Kinkeltje,' zei Raf. 'Dat is daar zomaar bij mekaar gesmeten, alle stijlen dooreen, voor de Wereldtentoonstelling begin van deze eeuw, voor toeristen die van toeten noch blazen weten lijk gij, kinkeltje!'

==

Wat de lucht zou moeten zijn is zeegroene verf, achteloos door een verver behorende tot een verboden kunstrichting, een Zwarte School, met rauwe vegen aangebracht boven de daken van het Gesticht. De muren van het Gesticht zijn te hemelhoog, ik ben te klein om de lucht te zien. 'Daar, een schaapje, daar, Lowietje!'

Twee figuren die mijn grootvader en mijn grootvaders zoon zouden moeten zijn. Een zwartwitfoto die beweegt maar die door Peter hier en daar (de omtrek van de perelaar, de haag waar Baekelandt elk ogenblik kan verschijnen met zijn zeis) gekleurd werd, reseda en vieux-roze, met de delicate penseeltjes van echte marterharen die daarna opgeborgen werden naast stinkende geiriseerde fiolen in een paarsfluwelen kistje, cadeau van Kanunnik de Londerzeele.

Peter is de kleinste van de twee figuren en dat is vreemd, altijd gedacht dat hij een hoofd groter was dan Papa. 'Hij is gekrompen,' zei een happig Meerke. Hoeveel centimeter krimpt de doorsnee-Belg per jaar? Gaat het later sneller?

Peter die bestraffend en onderzoekend langs de draaimolen loopt, die zachtjes draait, terwijl er geen Apostel, Hottentot of kleintje zichtbaar is. Peters vlekkeloos Prince de Galles-pak met de broek, gesteven alsof er een ijzerdraadje in zit. De duifgrijze das met de brede knoop en de parel is te strak aangetrokken, de adamsappel zit klem, o hoe verwoed slikt Peter, daar is niet tegen op te ademen! Toch speurt hij naar verborgen kinderen achter de grot van Bernadette, met de blik van een landvoogd en Papa naast hem doet dat na, hoe kan dat terwijl hij geboeid op stro ligt ver van zijn vader en meester? Gouden rimpels heeft mijn grootvader die ook mijn dooppeter is. De aders van zijn slapen: gouden wormen. Kaarsrecht loopt hij, dat heeft hij geleerd ver voor Veertien-Achttien. Een winters licht.

Peter stopt. Hij luistert. Zijn zoon spreekt en zegt: 'Ik heb geen courage meer.' 'Maar waar is uw zoon?' vraagt Peter en noemt mijn drie voornamen en vergeet de voornaamste, de vierde, die van de renegaat-apostel Petrus. Papa kijkt naar de schoenveters van zijn vader, blijft deemoedig in het lichtgrijs egaal licht van Peters schaduw staan. Peter schuift twee vingers in zijn giletzakje en haalt een pasfoto boven. 'Is hij dat?' Papa ziet de foto van een jongen met oren en knikt. Peter bet met een spierwitte zakdoek zijn eigen oren, een Seynaeve-gebaar.

'Ge wilt vluchten?' zegt hij. 'Naar Ierland.'

'Naar Argentinie,' zegt Papa.

'Ierland,' zegt Peter nadrukkelijk. Zijn maatpak komt van Ierland, een land van missionarissen en martelaren. Mama heeft zijn pak gestreken, er water over gesprenkeld voor het strijken, wijwater voor de vrede Christi in het rijk Christi, de nonnen zingen bij een orgeltje of een harmonium.

'Waarom zoudt ge vluchten, Staf?'

'Omdat ik ter dood veroordeeld zal worden.'

'Wie zegt dat, kind?'

'Coiffeur Felix.'

'Wie spreekt het vonnis uit?'

'De joden.'

'Zij hebben groot gelijk,' zegt Peter.

'Ja, vader.'

'De joden zijn terug. En is dat goed?'

'Ja, vader. Het is goed dat Minister Gutt het geld van de Belgen opvraagt, hij heeft gelijk. Gutt is rechtvaardig.'

'Dan ga ik maar, Staf.'

'Nee! Ik word ter dood veroordeeld!'

Twee figuren in winterlicht, koutend, tussen de puinen, de kraters van een straat in Haarbeke, tussen de betonnen brokstukken liggen taartjes, boterkoeken, Meccanodozen.

'Het staat geschreven, Staf, dat men een man slechts ter dood kan veroordelen als de zeventig wijzen van het Sanhedrin eenparig voor de dood stemmen.'

'Zeventig!' De echo bereikt de muziekzaal waar Zuster Engel de piano afstoft, zij begraaft nu haar gezicht in de sluier van haar kap.

'Maar, vader, er zullen er zeker zeventig tegen mij zijn!'

Peter grijnst. 'Dan, Staf, hebt ge niets te vrezen, want dan is de veroordeling niet geldig, want, Staf, het joodse boek zegt: ''Elke eenparigheid is verdacht".'

'Zij hebben gelijk,' zegt Papa. Peter haalt uit zijn giletzak de gouden tandenstoker die hij cadeau gekregen heeft van de Pauselijke nuntius voor vele jaren trouw aan het Vaticaan en peutert er mee in de baksteen van de Slotmuur, hij haalt er de zilveren kogel uit die ik ooit met mijn zilverbuks heb afgeschoten naar Papa's auto-van-vroeger, naar Holst aan het stuur. Of is het een bikkel?

Het gesis en geratel van de boemeltrein en een monotoon gedempt gedonder, hetzelfde dat hem verdoofd had, maakten Louis wakker, samen met een wee gevoel in zijn maag. Tegenover hem, beiden met een pijp in de mond, zaten twee handelsreizigers, ordners op hun knieen. Het landschap, plat en groen, schoot voorbij. Hij zat in een trein en voor het eerst merkte hij dat een trein, meer dan enig idee van een trein, een doos van zoveel meter hoog, zoveel lang, zoveel breed, een breekbaar, futiel, en vooral eenvoudig ding op wielen was. Roerloos blijven zitten. Ik kan het plafond van deze trein aanraken, nooit gedacht. Daarnet was ik op de speelplaats, in de schaduw van mijn grootvader die nu op sterven ligt.

Louis kroop overeind, hield zich aan de brede stoffige riem vast waarmee men het raam kon opentrekken. Hij zocht in het bagagenet, maar kon zich niet herinneren wat hij bij zich had. Hij rukte aan de riem, maar het raam zat vastgeroest, gemetseld, gekoekt. Hij herinnerde zich dat hij de deur wilde openen. Hij trok uit alle macht de klink naar zich toe.

('Nee, kinkeltje, de deur naar buiten duwen.') Hij duwde. ('Nee, kinkeltje, eerst de klink naar beneden.')

De jongste handelsreiziger legde zijn ordner naast zich. Louis dacht dat hij wou helpen, maar de man trok aan zijn mouw. 'Niet doen, vent,' maar Raf beval: 'Kinkel, naar beneden,' het waaide fel in de coupe. De handelsreiziger riep en trok aan mouw en kraag. Telefoonpalen snelden voorbij, de achterhuizen, de tuintjes en de smeekgebeden van de twee pijprokende mannen vertraagden.

De zoete lucht van het dorp / borp, korp, storp / er kwam maar geen rijmwoord, komen rijmwoorden natuurlijk uit de natuur, wie heeft ze uitgevonden? De Germanen alleen: alliteratie, de Romanen: eindrijm. Wij zijn allemaal Franskiljons, wij dichters.

De letters Bastegem in witte kiezelstenen tussen de bloemen en de planten die dichters moeten kennen. De stationschef in bretels, Bakels, zei tot een boer dat de Duitsers teruggekomen waren. Vanuit de Ardennen die ze helemaal opnieuw bezet hadden, rukten ze op naar Antwerpen. Ik heb de foto van Reinhard Tristan Eugen bewaard. Weer opprikken naast de kleerkast? Komt de ijzeren tijd terug? De ijzeren tijd duurde een halve minuut. De natuur der dingen gebood dat de verblinde stalen en leren ruiters vernietigd werden. De moraal ook. Louis Seynaeve, Lodewijk, de Lode, Lew, zou het aanzien, odes, elegieen, epithalamen aanheffen, maar waarover wist hij niet. Ik moet de volgende keer in Gent een rijmwoordenboek kopen.

==

Bijvoorbeeld voor een elegie voor Peter.

'Tot op het laatste moment, tot in de sacristie hebben zijn kameraden...'

'Dat is een woord voor zwarten, Mona.'

'...zijn vrienden dan, laat mij uitspreken, ruzie gemaakt. Want zijn vrienden wilden dat bij zijn kist 'De Vlaamse Leeuw' gespeeld werd.'

'Waar zijn hun gedachten? Het is waarlijk het moment niet, met Von Rundstedt in de Ardennen!'

'Maar Mijnheer de Deken wilde het niet. Hij zei: Een hele hoop Flaminganten zijn nog niet in 't gevang. Of zijn er al uit. Zij zijn in staat om in de kerk 'De Vlaamse Leeuw' mee te zingen. En 'Kempenland'. Voor dat ge 't weet zingen ze 'Wir fahren gegen England'.'

'Het bisdom heeft gelijk. Het is oprecht het moment niet.'

'Maar ze wilden dat niet in de kerk zingen. Alleen bij zijn graf.'

'Wat hebben ze dan wel gespeeld, bij zijn graf? Toch de Brabanconne niet?'

'Zij zijn overeengekomen op het laatst. 'Naar Wijd en Zijd.' Dat is niet zoveel gespeeld in de oorlog, en het is nogal Vlaams.'

'De rex-isten speelden dat toch?'

'Ik vond het zo'n klein kistje. Of verbeeld ik me dat?'

'Hij was gekrompen, ja, maar niet meer dan een ander.'

'Hij was helegans blauw, als een pruim.'

'Terwijl dat hij nog leefde?'

'Natuurlijk, zotje. Daarna was hij wit, lijk alleman.'

'Op 't laatste werd hij een beetje lila. De Zusters zagen het en trokken gezichten naar elkaar, want zij durfden niet veel zeggen, want hij hoorde alles, ge zag zijn wimpers bewegen als zij ''Mijnheer Seynaeve" zeiden.'

'Zijn hoofd was helegans verschrompeld, ik heb daarvan verschoten, ge peinst daar niet direct op.'

'Hij had ook niets gegeten de laatste vijf dagen, Mona. Geen eten en geen drinken.'

'Wel spuitjes avolonte.'

'Het laatste dat hij gegeten heeft was dat sponsje. Hij beet er in, Zuster Gudule wilde het van tussen zijn tanden halen, maar het was te laat, hij had het ingeslikt.'

'Hoe? Had hij zijn gebit nog in, Mona?'

'Ja. Ik wilde dat hij tot op 't laatste moment proper was, als er iemand op bezoek kwam.'

'Dat rochelen ook. Ik weet dat het natuurlijk is, maar ik was toch gegeneerd.'

'De hoofdzuster pakte mijn hand vast. ''Madame," zei ze, ''hij is bij Onze Lieve Heer."'

'Het was nog het beste.'

'Ja. Want hij begon lelijk door te draaien. En altijd zo kwaad. Voor het minste het geringste scheetje verdraaid, baste hij lijk een hond.'

'Als hij weerkomt, lijk dat de Indiers geloven, is 't vast en zeker als Mechelse schaper.'

'Ja. Hij gaat geen mops zijn, lijk die van Nora.'

'Ge hebt verschrikkelijk geschruweld, Mona.'

'Ik kon het niet helpen.'

'Zo roepen en tieren tegen de dokters. Ik was toch gegeneerd.'

'Het is hun schuld.'

'Hoe? Hij is toch niet misgemeesterd geweest.'

'Zij hadden hem die apenklieren moeten inspuiten. Ik vroeg het al van verleden jaar!'

'Maar is dat niet verboden van de Staat?'

'Van de Staat niet, maar wel van het bisdom.'

'Terwijl dat hij Katholieker was dan de Paus. Ik zie hem nog naar de communie gaan. Ik word er zelfs raar van als ik er aan denk. Met zijn ogen toe. Ik dacht nog, ''Och Here, hij gaat tegen de mensen botsen!" Ge zag dat die mens op dat moment geen schijfje gebakken tarwemeel op zijn tong had maar Onze Lieve Heer zelf!'

'Ongezuurd tarwemeel, Mona.'

'Jaja.'

'Ja. Het is het leven.'

'Het moet al dood dat leeft. Ook de sterren.'

'Ik heb mijn voile maar niet aangedaan. Ik dacht eerst nog aan een zwarte zonnebril maar ge kent 't volk van Walle, ze zouden zeggen: Kijk een keer naar de die, het is weer van kijk-naar-mij.'

'En Staf die ze uit het gevang niet wilden loslaten voor de begraving van zijn eigen vader.'

'Pardon, pardon. Het is Staf zelf die het niet gewild heeft. ''Ik ga mij niet in Walle vertonen tussen twee gendarmes, ook niet gendarmes in burger," zegt hij. ''En," zegt hij, ''mijn vader wilde die chique grote begraving met een elfuurmis in de Onze Lieve Vrouwekerk niet, hij wilde begraven worden in Noordende, in dat kerkje van niks, zonder al dat volk!"'

'Konden we dat toelaten, als zijn familie? Tegenover onze moeder? In Noordende, kilometers ver, alleen maar omdat Antoinette Passchiers daar woonde?'

'We konden hem al zo wel in Schorisse begraven waar dat Mylene woont, het was ook zijn lief. En 't is dichterbij.'

'Ja. Als ge de steenweg van Waregem neemt.'

'In ieder geval wilde hij niet in de Onze Lieve Vrouwekerk, hij heeft dat dikwijls genoeg gezegd. 't Is te veel eer, zei hij.'

'En 't is toch gebeurd. Door Kanunnik de Londerzeele.'

'Wij konden hem toch moeilijk volgen in al wat hij wilde! Neem eens dat hij gewild had dat we hem in een vuilnisbak smeten.'

'Ik zeg alleen maar wat Staf zegt, Mona.'

'Die heeft nog nooit de waarheid gezegd.'

'Het schijnt dat Antoinette Passchiers per se naar de begraving wilde komen. Maar haar man heeft het uit haar hoofd geklapt.'

'Zij zou haar eigen op de doodkist gesmeten hebben, ge kent haar.'

'Staat ze in zijn testament?'

'Ge ziet dat van hier. Maar wij gaan daar een stokje voor steken. Er zijn drie-vier-vijf testamenten en allemaal wettelijk.'

'A propos, 't schijnt dat de bazin van de 'Titanic' ook in de kerk was. Maar ik ken haar niet en met al dat volk heb ik haar niet herkend. Een dikke blonde, nogal voyant, zeggen ze.'

'Sommige mensen hebben geen eergevoel.'

'Ze moet in die laatste maanden tegen de vijftigduizend frank van hem losgepeuterd hebben. Om niet te spreken van het goud.'

'Welk goud?'

'Het goud dat hij op 't laatste, als hij niet goed meer was, naar de 'Titanic' bracht. Met zijn twee valiezen, hij liep er krom van.'

'Valiezen vol goud?'

'Maar nee. Die blonde van de 'Titanic' en twee anderen, een Francaise en een van Martinique moesten zich uitkleden en dan strooide hij zijn twee valiezen vol aarde over de vloer, waar zij de Napoleons en de goudstukken moesten uit graaien in hun bloot gat.'

'Hoeveel staat het goud tegenwoordig, Mona?'

''t Is nu gelijk. Kijk in de gazet!'

''t Was maar een vraag.'

'Hij heeft mij veel verdriet aangedaan.'

'En zijn vrouw ook. Het is maar op het laatste dat hij een beetje respect voor haar toonde. Als het te laat was.'

'Ik had er zo'n compassie mee, lijk ze daar in dat karretje zat in de kerk met haar chrysanten in haar armen.'

'En dat niemand het bruin papier van die chrysanten afgehaald heeft, ik was toch gegeneerd.'

'Ja, op 't laatst deed hij boete. ''Ik heb misdaan," zei hij, ''en nu dat ik voor de troon moet gaan staan geef ik mij rekenschap dat ik rekenschap moet geven. Ik heb niet naar monseigneur De Beaulieu geluisterd die zei, als hij van Katanga teruggekomen is, 'We moeten zijn lijk de oude negers die als ze voelen dat ze doodgaan hun kinderen en kleinkinderen bij zich roepen en hun alles maar dan ook alles vertellen wat ze voelen dat ze moeten meegeven in het leven.' En nu dat ik alles zou moeten vertellen weet ik niet wat ik zou kunnen meegeven. Ik ben geen schoon voorbeeld geweest." Ik zeg: ''Vadertje, d'r gaat u misschien nog iets te binnen schieten." "Ik peins het niet," zei hij. En 's anderendaags heeft hij de Compagnie opgebeld om een telefoon te plaatsen in zijn graf, voor het geval dat er hem iets te binnen zou schieten. De onderdirecteur is gekomen en hij zei: '''t Is in orde, Mijnheer Seynaeve, we gaan ervoor zorgen, wij gaan een lijn aanleggen, ge moet niet eens de communicaties betalen, alleen 't abonnement."'

'O, ik doe in mijn broek.'

'Ge moet de communicaties niet betalen!'

'Geef mij uwe zakneusdoek, Mona.'

'O, o, o, alleen 't abonnement!'

'Ja, we lachen een keer, maar op 't laatste heb ik toch te veel verdriet gehad.'

'En ik dan!'

'En ons moeder, op 't laatste, het was lijk of dat ze ook een slag van de molen gekregen had. Zij gaat met mij mee naar 't hospitaal. Ik zag het al direct in de gang dat er iets mis was. Zuster Andrea, die anders altijd zo beleefd was, van ''Zet u, Madame, 't is een goed weertje, he, Madame," zij trok haar neus op, ik kreeg met moeite een goedendag, en van de andere Zusters ook, ik zeg in mijn eigen, wat is dat hier? Ik heb toch geen stront aan mijn schoenen, een mens denkt van alles, en wat raadt ge? Hij had heel 't hospitaal overhoop geroepen. Nu zijn ze dat gewoon, de Zusters, ze worden er voor betaald. Maar wat hij schreeuwde was allemaal in het Frans, hij die altijd zei: ''Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus!" Maar 't ergste van al, het was niets dan Zwarte School en vuile praat, van minette alhier en soixante neuf, een beerput!

En de hoofdzuster zegt, ''Mijnheer Seynaeve, zegt dat tenminste niet zo luid!" "Je vais t'enculer," riep hij. Ze hebben hem een pilleke moeten geven die de tong bevriest. Nu komt 't schoonste. Ons moeder, in plaats van haar eigen stil te houden en te gebaren dat ze 't niet ziet of hoort, begint daar in het hospitaal te lachen, maar te lachen, er was geen houden aan, te schateren lijk een onnozel kind. Ik heb haar direct naar de auto moeten brengen, samen met Cecile, maar ze bleef maar gieren van de lach en ze riep heel de weg naar de auto: ''il va m'enculer!"'

'Komt dat tegen.'

==

'Onze Staf zag er in het kamp niet ongezond uit,' zei Leevaert, doctor in de Germaanse talen die nu advertenties wierf voor Het Volk, zonder officieel ingeschreven te zijn natuurlijk. 'Ik had eigenlijk op een ordentelijke manier afscheid van hem moeten nemen, maar ge weet hoe dat gaat, Madame Seynaeve, de directie wacht tot op het laatste ogenblik om u uw ontslag te melden en de gevangene is dan zo gejaagd om naar zijn geliefde thuis terug te keren. Zij maken ons egoistisch, Madame Seynaeve.'

Mama knikte en Tante Violet zei: 'Het is normaal, Mijnheer Leevaert, gij moet u daarom niet excuseren.'

'Hoofdzaak is dat we nu weten dat hij niet treurt,' zei Meerke.

'Hij treurde wel, zoals wij allemaal, maar met mate. Nee, de enige die ik heb kunnen omhelzen is mijn boezemvriend De Puydt. Omdat ik moest wachten op de eerste tram heb ik nog in de spreekkamer van de 'Flandria' een quatre-mains met hem gespeeld, een simpel dingetje van Cesar Franck. Ik moet eerlijk zeggen, ik heb een traantje gelaten. Mijn vriend niet, die heeft geen tranen meer. En nu zwerf ik op Gods wegen, bedelend om wat publiciteit. Gelukkig zijn onze kameraden die er weer bovenop zijn, solidair. Maar ik zet mijn hoop op mijn boek. En op de kameraden die mij gaan helpen.'

Louis schrok. 'Uw boek, Mijnheer Leevaert?'

'Mijn roman die ik in de 'Flandria' geschreven heb. Het zal dertig frank kosten maar wie nu intekent krijgt hem voor vijf en twintig. En als gij er tien afneemt, Madame Seynaeve, laat ik nog eens twee frank vallen. En wat is tien exemplaren, als ge uw kennissen een schoon cadeau wilt doen met Nieuwjaar? Want in elk boek zet ik mijn handtekening en een opdracht aan diegene van wie ge mij de naam opgeeft.'

'Waarover gaat het?' vroeg Mama.'

'Over een vrouw die uit het leven wil stappen'

'Dat lezen de mensen gaarne,' zei Mama. 'Het is goed bekeken.'

Louis kon haar wel aanvliegen. Hoe kon ze ernstig ingaan op zoiets? Hoe kon dat blubberig doorzopen stuk leraar een boek schrijven? En over zelfmoord dan nog. En alleen omdat hij zich verveelde in het gevangenenkamp 'Flandria'?

'Mijn hoofdpersonage is een vrouw, die ik schets in de verschillende belangrijke fasen van haar bestaan. Hoe zij voorbestemd was om door de zwaarste beproevingen heen toch, in het laatste hoofdstuk, het licht te zien.'

'Sterft ze op het einde?' vroeg Tante Violet.

'Nee. Zij leert het leven, dat zij van de schabouwelijkste zijde heeft ervaren, toch, niettegenstaande alles, te aanvaarden met zijn voor en zijn tegen. Zoals wij allemaal moeten doen.'

'Als het maar niet op de index komt,' zei Meerke zorgelijk.

'Madame Bossuyt, excuseer me, maar ge gaat niet mee met uw tijd. Op de index of niet op de index, daar vaag ik, op zijn Vlaams gezeid, mijn voeten aan.'

'Ja, maar dan kunnen de bibliotheken het niet aankopen,' zei Tante Violet, verjaagde bibliothecaresse.

'De katholieke bibliotheken nee.'

'De officiele zijn er ook niet rap bij als het een beetje aangebrand is.'

'Als schrijver kunt ge daar uw hoofd niet over breken, Madame Violet...'

'Juffrouw.'

'Juffrouw Violet. Alles wat ik weet is dat het een pleidooi is voor een reiner innerlijk leven en daarbij kan ik geen blad voor de mond nemen. Mijn personages zijn van vlees en bloed, die kunnen vallen en opstaan.'

'Hoe heet uw boek, Mijnheer Leevaert?'

'Jenny. Met als ondertitel: Een Noodlot.'

'lk ben ook bezig aan een verhaal,' zei Louis, 'ik denk dat ik het misschien zal insturen voor de prijskamp van HetLaatste Nieuws.'

'Dat is een goed nieuws,' zei Leevaert. Tante Violet miste geen beet van haar boterham met gehakt, Meerkes breipennen hadden geen ogenblik vertraagd, Mama bleef op het van koffie doordrenkte suikerklontje zuigen, haar tanden zullen gaten krijgen de grootte van erwten.

'Mijn verhaal, of liever novelle, gaat Het verdriet heten.'

'Ach, jongetje, wat weet gij van verdriet?' zei Tante Violet. 'Gij komt nog maar kijken.'

'Waarom zo'n triestige titel, Louis,' zei Meerke. 'De mensen willen zich ontspannen.'

Mama ging naar de kachel, en terwijl zij koffie inschonk (want zij wou dit niet in haar zoons gezicht zeggen) zei ze: 'Het enige waar Louis goede punten in kreeg was opstel en taal.'

'De taal is belangrijk,' zei Leevaert en stak een pijp op, en voorwaar, hij begon al op een Vlaamse Kop te lijken, met drie kinnen. 'Maar het voornaamste blijft wat ge wezenlijk uitdrukt over de mens, de maatschappij, de verhouding tot het Goddelijke. En daarvoor, neem mij niet kwalijk, Louis, moet ge toch een bepaalde ervaring hebben. Voor uw veertigste kunt ge niet die...'

'En Rimbaud?' zei Louis nijdig.

'Handen af van Rimbaud!' riep Leevaert zo fel, dat Meerke bijna haar breiwerk liet vallen.

'Een glaasje Elixir d'Anvers, Mijnheer Leevaert?' vroeg Tante Violet.

'Als ge meedrinkt, Juffrouw.' Leevaert ontlokte sissende, natte geluiden aan zijn pijp. 'Rimbaud was een mirakel. Zo een komt er maar een keer per eeuw. Dat is zo spontaan, zo vanuit het niets geboren, zo...'

'Op mijn leeftijd is hij begonnen met Victor Hugo en Alfred de Musset na te bootsen.'

De pijp werd ruw uit de mond gesnokt. 'Wie zegt dat?'

'Ik heb dat gelezen.'

'Waar staat dat?'

'Jongen,' zei Louis bars, 'in de Nouvelles Litteraires. Die lees ik elke week.'

Leevaert haalde diep adem. Nam kelkje aan. Proefde. Zette kelkje neer. 'Zij kunnen het niet verdragen,' zei hij moedeloos. 'Ze moeten en zullen elke grootheid naar beneden halen, elk genie dat ze niet verstaan, waar ze niet eens kunnen aan rieken, dat moeten ze trachten klein te krijgen, terug te brengen naar hun eigen miserabel niveau.'

In de garage zong Nonkel Omer, zoals meestal als de avond viel: 'Ik zeg u geen vaarwel, m'n broer, dra zien w'elkander weer,' en zoals altijd, stemde de achtjarige kalkoen Hector in.

Leevaert had drie borden hutspot op, zijn pijp walmde weer. 'Het is simpel,' zei hij, 'en ik heb dat dikwijls aan mijn leerlingen uitgelegd als zij meenden dat, omdat zij een paar goede opstellen geschreven hadden, zij daarom automatisch wisten wat taal was...'

'Ik had maar de kleintjes van 't vierde en 't vijfde,' zei Tante Violet.

'...ge kunt namelijk vele kanten uit, nietwaar Juffrouw Violet...'

'Zeker,' zei zij onzeker.

'Ge moet opletten, Louis,' zei Meerke.

'Ge kunt bijvoorbeeld een gevoel uitdrukken. Juist? Ge kunt u ook voorstellen dat ge u tot mij richt of bijvoorbeeld naar uw lieve Mama...'

Mama, don't fence me in. Mama hoestte.

'...en dat ge die andere wilt bereiken, kunt bereiken. Juist? Nu kunt ge ook iets zeggen zonder meer zonder dat het iets of bijna niets betekent. Bijvoorbeeld: ''hallo", als ge telefoneert. Ge kunt ook, en dat is voor ons het interessantste, Louis, een dichterlijk gevoel oproepen.'

'Ach, ge kunt zoveel als ge oplet,' zei Meerke.

'Het is simpel,' zei Leevaert.

'Ge kunt ook woorden gebruiken om niet verstaan te worden,' zei Louis.

Mama glimlachte hem toe. 'Ja,' zei zij. 'Jaja.'

'En Esperanto,' zei Meerke. 'Daar is de Paus zo voor. Kwestie van rap en gemakkelijk het Evangelie te verspreiden.'

==

Omdat het daalt dendert het vliegtuig. (Zoals de goederentreinen achter in de tuin.) De passagiersruimte is een houten sidderende olijfgroene kist. Door de ronde luiken is alleen mist te zien. De geharnaste parachutisten met hun gezonde tanden die op Wrigley's Peppermint kauwen zijn niet bang. Een van hen lijkt op de kleine dokter Donkers, franskiljon en spion in de erla, daarom knikt hij, in tegenstelling tot de anderen die met brandende blikken loeren, Mama bemoedigend toe, want het is Mama, die vrouw in een katoenen korengele zomerjurk met een beige sjaaltje om, met geverfd donkerrood haar, met een peuk in de linkermondhoek, die aan haar shingle staat te wiegen. Een schelle toeter weerklinkt. Onder de spotzieke ogen van de mannen zoekt zij, prevelend, vloekend, haar parachute.

Door het ronde kijkgat naast haar zijn nu wolken te zien, en als je je voorover buigt een Duitse stad, een grijze massa stalagmieten, dooiende sneeuwhopen, het vliegtuig scheert eroverheen, geen auto, geen fiets, geen mens te bekennen, grauw kaarsvet ligt over de neergestorte huizen, het vliegtuig blijft hangen als een mug. Brullend storten de parachutisten zich door de open deuren, dan waait mijn moeders jurk ook op, zij perst haar jurk tegen haar onderbuik, haar dijen en benen in beige zijden kousen wiebelen, zij joelt, de piloot steekt twee gespreide vingers in de lucht, en verdwijnt in de rijzende zon, zijn naam is Harry, van Harry vliegt er uit (Keurreeks, houtvrij papier). 'De kist heeft het gehaald!' riep Harry en het was zijn doodkist. Remember, Maurice?

Mijn moeder strijkt neer in een weide van as en krijtstof op het ogenblik dat de kleine Donkers tegen een zwartgeblakerde fabrieksmuur patst. Uit de holen in de muren, de kelders, de kraters zijn jammerende stemmen hoorbaar, een regelmatig gebonk als een hartslag, het geknal van paardenzwepen. Mama kent blijkbaar haar weg, zij volgt zonder weifelen haar route, geroepen door de ijzeren god van de liefde. Allerlei ritselende viervoeters langs haar naaldhakken kunnen haar niet deren. Hoort men: 'Constanz, Constanz!' roepen met een stem die dunner, jongensachtiger, magerder is geworden na die jaren van hunkering? Met haar schoenen in de hand, bekaf, komt zij op een pleintje in de haven, met gotische gevels vol gaten. 'Is dit de Leibnizstrasse in Braunschweig?' vraagt zij.

'Nein,' antwoordt iemand in de blauwe mist.

'Wie bent u?' - 'Ik wens mij niet kenbaar te maken, deze tijden zijn gevaarlijk en zonder liefde.'

'Ik zoek...' - 'Ik weet wie u zoekt na al die tijd, voor wie u nu eindelijk uw man verlaten hebt die in een cel zit en uw zoon die zichzelf bevlekt.' - 'Breng mij dan bij hem.' - 'Geef mij uw hand.' - 'Niet kietelen.' - 'Ik heb niets dan het goede met u voor. - 'Dat heb ik te vaak gehoord.' - 'Vrees niet.' - 'Ik zal u rijkelijk belonen, breng mij bij hem. Is hij gezond? Is hij verminkt? Al zijn zijn armen en benen eraf, al is zijn kin weggeschoten, dan nog zou ik... ik wou dat het zo was, dan kon ik hem nog meer beminnen.'

'Hij is zoals hij is,' zegt de schuchter sluipende stem in de nevel en leidt Mama een krocht binnen waar een toonlade, een kasregister en lege rekken staan. Zij wacht. In de voorsteden hebben de Amerikaanse parachutisten een brug bezet. Tanks vlakbij. Afweergeschut.

Een man in een besneeuwde oliejas staat in het gat waar vroeger een deur met een winkelbelletje was. Hij sleept met zijn voeten alsof hij een kanonbal meesleurt. 'Mijn liefste,' roept Mama. Lausengier zoekt haar met een tastende hand, zet een stofbril op en herkent haar, gelooft zijn vochtige, veelvuldig vergrote ogen in de Kei's bultende glazen niet, hij schudt zijn hoofd met de besneeuwde haren. 'Zolang, zolang,' murmelt hij.

'Zo levenslang,' zegt zij, en wil hem omhelzen maar hij wendt zich, ongelovig grijnzend af en stampt met zijn stiefels op de tegels, want hij wil zijn droom, zijn enige bezit, niet zien en niet onder ogen komen. Dan durft hij en kijkt in de hel van haar ogen.

'Wie geht's Ihrem Sohn?' vraagt hij. 'Den Louis.'

'Meinem Sohn? Never mind,' zegt Mama en zegt zenuwachtig dat zij hem mee zal nemen naar haar moeder, broers en zusters in een dorpje aan de Leie, en huilt. Hij droogt haar tranen met een gore olijfgroene zakdoek.

'Never mind,' zegt zij.

De dag begint als altijd. Mama vraagt aan Tante Violet of Louis zijn tanden gepoetst heeft. 'Hebt ge het gezien, Violet?' 'Louis, geef mij de melk eens aan.' 'Ik heb geen oog toegedaan met die trein in de hof. Zet in godsnaam die stomme radio wat stiller.'

==

Aan de poort van de Molens waar de zwarten geinterneerd waren stonden twee Witte Brigade-mannen met hun stenguns er wat sloom bij, zonder het gewichtig uitdagend air van de eerste dagen van de bevrijding. Toch ging Louis bij het cafe 'Picardy' naar de overkant, vlak voor de aankomende, niet vertragende auto's, van de gevaarlijkste autoweg van Belgie. Je kon nooit weten. De schildwachten konden hem uit pure verveling onverhoeds in het voorbijgaan bij de kraag grijpen en binnensleuren. Het hondenhok naast de poort, waar men een week lang de onderpastoor van Ravenhout had ingestopt, was afgebroken op bevel van pastoor Mertens.

Op de hoogte van de fortachtige villa die een belastingontvanger had laten optrekken nadat hij vijf miljoen in de loterij had gewonnen, remde een fiets achter hem.

'Wel, kent ge mij niet meer?'

Zij reed naast hem, blond onder een strohoed, felrode lippen, hanenpootjes bij de ogen. Nooit gezien.

'Ge herkent mij niet.'

'Vaag,' bekende hij.

'Michele! Ik ben een kameraad van Therese die nog op trouwen heeft gestaan met uw Nonkel Omer.'

'Ah, ja. Nu ge 't zegt.'

'Waar gaat ge naartoe?'

'Gazetten kopen. De Nouvelles Litteraires.'

'Tu veux qu'on parle francais?'

'Nee. Nee. Ik wil zeggen, ik kan het wel, maar...'

'Zijt gij gehaast?'

'Nee.'

Zij trapte loom en legde haar hand op zijn schouder.

'Dit is de gevaarlijkste weg van Belgie,' zei hij.

'Luister. Hebt ge nu een beetje tijd?'

'Waarvoor?'

'Ik zoek iemand om mijn kelder op te ruimen. Als ge wat drinkgeld wilt verdienen.'

'Ik kan straks komen, als ik mijn gazetten...' (Nee, Raf, zoals zij toen wegreed, met uitpuilend strak vlees over het zadel, nee, Raf, zij heeft geen zijpgat, het is, het is, er is geen woord voor in de hele dikke Van Dale, het is van Rubens en van Memlinc tegelijk, dat achterkasteeltje, ik zei het haar in 't Frans: voila un edifice bien royal.)

De kelder zonder ramen lag vol rijshout, kapotte meubelen, een verroeste autoped, konijnenkeutels. Hij sjouwde, reed met de kruiwagen, gooide alles op een hoop achter een haag. Zij riep hem binnen, in de dure villa. Hij moest haar Michele noemen. Haar man, een dokter, was verleden jaar gestorven. Zij schonk hem een glas bier in, zelf dronk ze een martini, twee martini's.

'Moet ge uw handen niet wassen?'

Zij ging op de met Delftse tegeltjes bezette rand van het bad zitten, terwijl hij een stuk Lux-toiletzeep ontdeed van zijn dambordverpakking, negen filmsterren op tien gebruiken Lux om met succes weerstand te bieden aan de glans der studiolichten, Claudette Colbert onder anderen, en schrobde zijn handen harder en langer dan ooit tevoren, droogde ze snel af om de badhanddoek niet te nat te maken.

'Moet ge niet?' Zij knikte in de richting van de wc-pot.

Het bloed schoot naar zijn hoofd.

'Gij zijt al meer dan drie uur bezig en ge hebt niet een keer gepist. Ge ziet dat ik u gecontroleerd heb.'

Het platte, gore, arbeiderswoord dat uit haar nonchalant gezicht gegulpt kwam, het verraste hem, het was afstotend en opwindend tegelijk.

Hij lachte als een arbeider in een vol cafe. Hij was niet meer verbaasd toen zij met haar ossenbloedkleurige vingernagels over zijn gulp streek, aan de knoopjes frommelde, met een ongeduldig fronsend gezicht reageerde toen hij haar zachtjes wegduwde. 'Gij wilt het liever zelf doen, als een grote vent, mij goed.'

Maar hij zou misschien niet kunnen, zij moest bijziende zijn, vandaar die hanenpootjes, want hij had in die drie uur wel snel achter de schuur gepist, twee keer zelfs, en wat moest dat mens? wat was daar aan te zien? (zei Bekka in de kleiputten) en wij zijn toch geen beesten, er zijn goden, onsterfelijk, en mensen, die sterven als beesten, maar daartussen is er toch een categorie van mensen die goddelijkheid in zich dragen, bijvoorbeeld zij die de gift van de vurige tongen van de taal van de goden hebben gekregen, nee? Hij knoopte beslist zijn gulp weer dicht, kuchte als een non.

'Zijt ge beschaamd? Ik heb dat al meer gezien.'

'Ik versta het,' zei Louis, 'omdat ge de vrouw van een dokter zijt.'

'Geweest,' zei ze kortaf.

'Pardon.'

'Zonder pardon.'

Zij tikte met haar wijsvinger tegen zijn linkertepel. ('Tegen mijn onverwoestbaar hart, Madame Michele!')

'Ge durft niet,' zei zij. 'Ik wel.'

In het zicht van alle verblufte goden van de Olympus tilde zij haar jurk op, zij had er niks onder aan, zij ging zitten, een straal kletterde uit haar.

'Voila,' zei ze. 'Het schoon voorbeeld.'

Zij bleef zitten. ('Ik moet toch niet bij haar op schoot!')

Zij hief haar voorarm en bedekte haar ogen. Op de bril gleed haar onderlijf naar voor, haar knieen weken uit elkaar, de lippen daar waren gewelfd en bedauwd en tranig en geolied, openden zich en een gehemelte met holtes verscheen, een tweede mondje. Haar kuiten stonden strak gespannen, nu pas zag hij dat zij op haar tenen stond, haar billen los van de vanillecreme-gelakte bril. Een acrobate die in kramp op applaus wachtte.

'Genoeg? Genoeg gezien?'

'Ja,' zei Louis. 'Jaja. Ge zijt bedankt,' zei hij stom als een landarbeider.

'Kom mee.'

De slaapkamer was die van een uiterst zorgvuldige dienstmeid, of een logeerkamer. Michele keek even in de spiegel van de kleerkast, schudde haar blonde manen.

'Ga toch liggen.' Zij trok biljartgroene gordijnen dicht en in de donkere ruimte zonder muren of meubelen kleedde zij hem uit. In alle vette boeken sprong een doldrieste man uitzinnig van begeerte op een eerst weigerachtige en dan koerende vrouw. En die vrouwen, eerst Tante Nora en nu deze doktersvrouw, randden hem aan! Straalde hij zo veel slaafsheid uit? Deze zoende zijn opgericht lid met katachtige kusjes, en schoof en gleed en greep zijn lenden tot hij tussen haar jurk in haar geduwd werd en fluisterde dat hij lief was en dat hij zoet was en dat hij van alles onverstaanbaar was, en het was natter, gladder, waziger dan met zijn hand. Maakte hij nu kinderen? Een tweeling, Aristoteles en Amadeus? Douglas, de kornuit van Gene, stond zich te scheren in de tent, terwijl Djeedie op eenzelfde soort veldbed als dit zat te lezen in zijn kaki ondergoed, en Douglas draaide zich om: 'Lew, het enige wat je moet doen is tegenhouden, hoe ze ook springen en smeken, tegenhouden, daarom zijn alle vrouwen zo gek op mij, ik duur altijd langer dan zij, that's fuckin' all.'

Bruinverbrande benen (van het fietsen?) deinden de lucht in. Zij vloekte toen hij uit haar schoot, grabbelde, en het gewieg, gestoot hernam, zij greep zijn billen, perste. Hij schoof zijn hand onder haar bustehouder, voelde de brede platte borst die dun was, Raf, als een pannenkoek. Zij beet in zijn arm, kneep in zijn hand uit alle macht.

Toen zei zij niets meer, een lauwe schijndode. Hij trok zich terug. Zijn teelballen deden pijn. Tegenhouden, Douglas had mooi praten, blijven duren, de pijn bleef duren.

Zij knoopte haar jurk dicht, bleef op haar rug liggen en, met de heftigheid van de plotse zomerregen gisteren, snikte zij ineens hoog en lang, begroef haar gezicht onder het hoofdkussen.

Het boekje dat Djeedie op zijn veldbed las heette Harmonium, ik heb het ingekeken. A man and a woman are one. A man and a woman and a blackbird are one.

'Wat heb ik misdaan, Michele?'

Zij richtte zich op met natte neus en wangen, hield haar handen gekruist voor haar borst. 'Nu weet gij het, nu weet gij het. Gij zijt zo'n lieve jongen dat ge er niets van wilt zeggen...' zei zij.

'Ik had u zo gaarne plezier gedaan...' zei zij.

'Maar het komt door Renetje. Hij kan het ook niet helpen. Maar toch...' zei zij.

'Zij waren echt dik schoon vol. Ik was er zo fier over...' zei zij.

'Renetje heeft ze kapot gemaakt. Het is nooit meer goed gekomen. Als ik hem met de fles gevoed had. Maar ik mocht niet van mijn man, en als dokter had hij dat toch kunnen weten. Ik ben zo beschaamd. Ge zegt niets. Ge peinst nu zeker, zij heeft mij bedrogen met hare opgevulde soutiengorge. Ik kan daar toch niets aan doen.'

'Maar neen,' zei hij.

'Ge meent het niet.'

'Toch wel.'

'Gij zijt braaf.'

'Zwijg nu maar.' Hij trok zijn kleren aan.

'Ziet ge dat ge kwaad zijt op mij!'

('O, Apollo, is dit der vrouwen maatstaf? / Zij maalt maar door en onverstoord / Mijn kloten met naalden doorboord / O, die steken in mijn zaadzak!')

Zij warmde chocolademelk op, bracht stroopwafels, draaide een plaat van de Andrews Sisters, Chattanooga Choo Choo. Op het buffet, op de schoorsteen tussen mica-rozen, op lage tafeltjes stonden foto's van een bezorgde jongeman, een paar toonden hem in zwembroek terwijl hij schalks een bodybuilder imiteerde.

'Is dat hem?'

'Ja. Zij gaan volgende maand een arduinen plaat aanbrengen op de gevel van het huis waar hij geboren is. De Gouverneur zal de rede houden. Er is zelfs sprake van een straat naar hem te noemen. Zij zouden willen dat Renetje op de ceremonie komt, maar ik ben daar tegen, hij is nog te klein. D'r is een stomme nicht van mij die 't hem gezeid heeft. Renetje, uw Papa was een held en daarom hebben ze hem gefusilleerd. Gelukkig verstond hij niet wat het was. Hij vroeg het: ''Mama, wat is dat: Papa gefusilleerd?" Ik heb gezegd dat het hetzelfde was als geopereerd. Hij is nog te klein.'

Toen hij 'Zonnewende' in de verte zag, achter de spoorlijn, ontdekte hij dat hij zijn Nouvelles Litteraires had laten liggen, dat Michele hem geen drinkgeld gegeven had. Maar hij zou haar terugzien, de pijn in zijn onderlijf trok weg. Chattanooga Choo Choo, won't you choochoo me home. Ik heb een lief. Nee, dat is te boers. Een minnares, te gewichtig, te veel Ivanov's Liefderoman, een geliefde, te veel Breviarium van de Vlaamse lyriek. Ik heb een maitresse, dat is het.

'Kinkeltje toch, een matras wilt ge zeggen.'

==

Meerke, Tante Violet en Mama waren in de keuken jam aan het maken. Zuinig Meerke wou dat de klokhuizen van de appels meegekookt werden. Violet vond dat iets voor arme mensen. 'Nee, 't is voor de smaak, Violet!' Mama zei dat, als eenmaal de suiker opgelost was, de prut veel langer moest doorkoken. Louis' taak was de cellofaanpapiertjes over de potjes te trekken, eerst nat maken maar niet te veel. Zo ging zijn tijd op aarde voorbij. Mama zeurde steeds vaker dat hij weer naar school moest. Kende Jack London iets van driehoeksmeetkunde, wat wist Van Ostaijen af van scheikunde?

'Ge moet een diploma halen,' zei Meerke. 'Dan kunt ge altijd iets aan de Staat worden, vakantie, pensioen, alles geregeld.'

'Ge staat te dromen,' zei Mama. 'Waar denkt ge aan?'

'Aan deugnieterij,' zei Tante Violet.

'Nee,' zei Mama. 'Hij staat te piekeren wat hij met het geld zal doen van de prijskamp van Het Laatste Nieuws en hoeveel hij ervan aan zijn arme moeder zal geven.'

'En aan zijn Tante die 's nachts aan zijn bedje gezeten heeft toen hij de kinkhoest had.'

'Vijfduizend frank. Gaan ze daar belastingen van aftrekken?' vroeg Meerke.

'Ik kan nooit winnen. Er zijn voorzeker honderd inzendingen.'

'Als 't maar aandoenlijk is,' zei Meerke. 'Aandoenlijk of historisch. Is het historisch, uw historie?'

'Nee.'

'Gaat het over de school in Haarbeke?' vroeg Mama, licht, licht, op kousenvoetjes, en Louis zag haar op haar slofjes met pompons door zijn kamer lopen, zij vond Les Memoires d'une Cocodette, zij vond het schrift onder de kleerkast en vond het bundeltje aaneengeniete knipsels die de Laatste Nieuws-feuilleton 'Het geheim van het Slot Merivale' vormden en zijn inspiratie, zijn stijl.

'Over een pensionaat?' riep Meerke. 'Dat is alleen maar interessant voor kinderen die ook op een pensionaat zijn geweest.'

'Is een boek over detectives alleen interessant voor detectives?'

'Ge moet niet zo uitschieten! Ik mag toch mijn gedacht zeggen, zeker.'

'Ofwel,' zei Mama, 'ofwel, zit hij ons hier af te loeren met zijn gemene oogjes en te luisteren met zijn hazenoren en schrijft hij op wat wij doen en zeggen.'

'Onze familie belachelijk maken?' zei Tante Violet.

'Dat zou onze Louis nooit doen, he, Louis?' zei Meerke.

'Wat is er in godsnaam voor interessants over u te vertellen?' zei onze Louis.

'Wat wij meegemaakt hebben in de oorlog,' zei Mama.

'Wat dan?'

'Ons verdriet. Uw historie heet toch 'Het verdriet'?'

'Het enige dat ge meegemaakt hebt is goed zorgen voor eten en kleren en kolen.'

'Stank voor dank,' zei Mama.

'Ge zoudt moeten beschaamd zijn,' zei ex-onderwijzeres Violet Bossuyt. 'Terwijl uw vader gevangen zit voor zijn idealisme.'

'Dat boek van mijnheer Leevaert, dat zou ik willen lezen,' zei Mama. 'Zo rap mogelijk.'

'Het kan niet fameus zijn als hij het niet eens kan uitgegeven krijgen, als hij het zelf moet laten drukken. Iedereen kan een boek laten drukken.'

'Hij is zijn burgerrechten kwijt. Geen een uitgever wil dat onder de naam van zijn firma,' zei Tante Violet.

'En hoeveel procent krijgt hij dan nog? Nu is al de winst voor hem,' zei Meerke.

Rancuneuze, jaloerse Louis in het nauw. Hij haalde zijn schouders op. 'Als gij u interesseert aan een vrouw die Jenny heet en die zich zelfmoordt! Ge kunt al zo wel Het Rijk der Vrouw lezen.'

'Zelfmoordt Jenny zich?'

'Dat heeft mijnheer Leevaert er niet bij verteld.'

'Op het einde van het boek!'

'Zij zou op het einde het licht zien,' riep Meerke.

'Nee, nee, nee. Hij heeft duidelijk gezegd dat het over een vrouw ging die uit het leven stapte.'

Stilte. De drie vrouwen keken elkaar aan, Tante Violet kreeg de hik, piepte, het was een signaal, de drie heksen bij de ketel heerlijk geurende stomende appelprut grinnikten, giechelden. Mama hield het eerst op. 'Louis, jongen, het leven, dat is iets anders. Mijnheer Leevaert wilde zeggen dat Jenny uit het slecht leven stapte.'

'Zoals die vrouwen in de 'Picardy',' zei Tante Violet.

'Laat Armand hier buiten,' snauwde Meerke tot haar gezwollen dochter. Louis spande de elastiekjes rond de potjes warme jam. De slag van de Ardennen was mislukt, de Duitsers waren niet eens in de buurt van Antwerpen geraakt. O, v-bommen, waarom in zo'n grote boog over Bastegem! De beuk in dit huishouden van onwijze maagden! Deze keuken moet ontploffen!

'Kijk, kijk,' giechelde Tante Violet. 'Hij kan ons wel opeten van koleire!'

'Moest ik een beet van u nemen, ik val vergiftigd op de grond.'

'Hela, een beetje beleefd,' zei zij. 'Ge vergeet dat ik nog uw luiers heb omgedaan, dat ik uw gat heb moeten afvegen.'

Harmonium. The river is moving. The blackbird must be flying.

''t Schijnt dat Goebbels zijn eigen vergiftigd heeft, samen met Magda en zijn twaalf kinderen. Eerst dachten zij dat hij gevochten heeft tot hij geen kogels meer had, alleen maar zijn bajonet, maar ze hebben hem onderzocht.'

'Twaalf? Ik dacht zes.'

'Zijn aangenomen kinderen zullen er bij geweest zijn. Of bastaards waar niemand van spreekt.'

'Wat heeft hij ingenomen?'

'Dat zeiden ze niet in de radio.'

'Een poeiertje in hun melk voorzeker.'

'En Magda stond daarop te kijken.'

'Of zij heeft het zelf gedaan.'

'Zij waren allemaal maar half verbrand.'

'Geen petrol genoeg zeker.'

Adieu, krijgers, zondvloed van trots, wanhopig geklauw naar heldendom, adieu leer-en-ijzeren korsetten, doodskopbaretten, schoonheid van de ordening van Goebbels op kerstavond Eenenveertig: 'Unser schones Reich, so weiss, so weiss, so weiss und wunderschon,' adieu wreed Rijk, verdoofd door de kabbelende drie tamme huishoudsters onder wie zij, die eveneens vermindert, verslapt, vergaat, en opgaat in haar zuster en haar moeder, al haar verdriet was vergeefs geweest dat haar mager mooi meedogenloos maakte, ooit in een andere stad in de tijd.

==

Zoals in de patronagezaal van Haarbeke in de tekenfilms Mickey en Minnie in stervormige ontploffingen spastisch bewogen, dansten binnen de dikke zwarte lijnen die hun silhouetten omgrensden drie mannetjes, een vet, een mager, en een klein. Zij huppelden in een bos dat door een storm dooreengeslingerd werd, het kronkelig opgezwiept takkenrijk van Sneeuwwitje. De dikke field marshal met al zijn medailles, de broodmagere traitor Rudolf Hess met een schoensmeerveeg als wenkbrauwen en de Head of the Ministry, het skeleteus dwergje met armen tot aan zijn enkels, renden, renden, sloegen slangachtige twijgen, inktvisachtige takken weg en speelden tikkertje, Goebbels was het kwiekst, er vloeide kleur in de tekening (van David Low, de verzameling karikaturen die Louis geschokt had in de boekenkelder van de Louisalaan).

Kaki sloop in de uniformjasjes van Hess en de dwerg, feldgrau in het volume van de maarschalk en zilverblauw in zijn stafje, en met de kleur stopten ze hun spelletje, er was iets gaande op het tennisveld van het kasteeltje 'Flandria', iets golfde uit de kleedkamers, kolkte naar buiten en voor het een draak of een heks kon vormen was het Franklin Delano Roosevelt in zijn wagentje, met kinnebak en wittetandenlach en sigarettenpijp. Op zijn brede rug zat een rabbijn. De drie vluchtten in paniek, Goebbels stak de log zwoegend rennende Hess voorbij, Goring verborg zich in een kelder zonder ramen die vol rijshout lag. Uiteindelijk bereikte, op zijn ultrakorte beentjes in zijn ceremoniepak met de satijnen streep, Goebbels de kanselarij en zag ontzet zijn dode Fuhrer liggen. Hij bracht de olympische groet en zei: 'Onze vergeldingswapens zijn een grote scheet in een fles, Fuhrer, wij zijn er veel te laat mee gekomen, wij hadden vroeger moeten opstaan.' Uit de kleren van de Fuhrer steeg een fosforescerende walm, lichtgroen als jonge haver. Goebbels fluisterde: 'Wie waart gij nu, mein Fuhrer, Christus of Johannes?' Dit bleef onbeantwoord, Goebbels ging liggen, legde zijn lange armen als in een turnoefening achter zijn schouders, trok zijn benen op, zo geplooid keek hij naar zijn orthopedische schoen die vlam had gevat. 'Aufstehen,' zei Magda.

'Ik geloof dat ik er door ben,' zei Nonkel Omer, een beleefd, getemd man die in een vlekkeloze pyjama aan tafel zat. 'Dat ik me van nu af aan alle dagen ga scheren en proberen de gazet te lezen.'

Meerke was zielsgelukkig. 'Het komt omdat de oorlog gedaan is. Dat heeft op uw moraal gewerkt.'

'Schone liedjes duren niet lang,' zei Tante Violet.

'Als het een beetje meezit,' zei Nonkel Omer, 'zou ik wel durven uitkijken of ik geen werk kan krijgen.'

'Als wat?' zei Tante Violet.

'Hij heeft toch gestudeerd,' zei Meerke.

'In de tijd dat de beesten spraken.'

'Ge hebt al uwe tijd, Omer,' zei Mama. 'Ge moet u niet haasten.'

'Ik zie u gaarne, Constance.'

'Ik u ook, Omer.'

Meerke schepte karnemelkpap uit met schijfjes zure appel, aanschouwde de tafel, haar ogen schoten vol tranen, zij moest gaan zitten.

''t Is nu nog alleen onze Armand die mankeert.'

Nonkel Omer knikte.

'Zoudt ge onze Armand niet eens willen terugzien, Omer?'

'Ja, moeder.'

'Echtig waar? Uit de grond van uw hart?'

Nonkel Omer was in gedachten verzonken.

'Ge hebt een hart van koekenbrood,' zei Meerke.

'Mijn Papa mankeert ook nog,' zei Louis.

'Natuurlijk, ventje, maar ik peinsde een momentje aan onze familie, aan de Bossuyts.'

Niemand zei een woord over Tante Berenice.





In het blauw salon, naast de eetkamer, stond Holst in het midden van de kamer op een oosters tapijt als op een eilandje te wachten. Hij stak een pistool op zak.

'Zijt ge alleen?'

'Dat ziet ge toch,' zei Louis.

'Wacht er niemand anders buiten? Niemand gezien?'

'Nee, kijk maar.'

'Ik zou ze toch niet zien. Ze zitten meestal achter de rododendrons.'

Op het marmeren schoorsteenblad, naast het porseleinen beeld van een Schotse doedelzakspeler lag een Browning.

In de wijde keuken waar Holst donker bier schonk in kristallen bekers, stond een dubbelloop tegen de wand achter de deur. Holst zei dat Alex Morrens met de juniores van Bastegem Excelsior een Witte Brigade-eenheid had gevormd die het huis omsingelde. Hij kende de motieven van Morrens niet. Het kon best zijn dat Morrens vond dat Holst als Vlaamse Wachter al te gemakkelijk door het toedoen van commandant Konrad aan gerechtelijke vervolging was ontsnapt. Of dat Morrens meende dat Holst verantwoordelijk was voor de verdwijning van zijn wettige echtgenote. De jonge voetballers richtten hun jachtgeweren zodra ze Holst's schaduw zagen, maar er was nog niet een schot gevallen.

'Zij wachten,' zei Holst. Waarop, dat wist hij ook niet. Tot hij de deur uitging misschien. Daarom was hij niet op de begrafenis van Peter verschenen. De vrouw van de kruidenier bracht hem brood en conserven. Voor de rest was de kelder boordevol Bourgogne, champagne, Cointreau.

'De afwas en de was doe ik toch zelf. Altijd gedaan.'

'Maar wat willen ze?'

'Ach,' zei Holst. 'De grote zuivering.' De Kei stond naast Holst, even verwilderd en ongeschoren en zei: ... 'de theocratische dictatuur van Savonarola... de dominicanen extatisch van zuivering... de kinderen in zijn kielzog trokken versierselen, juwelen, kanten kraagjes van de dames op straat... de burgers verbrandden hun bezittingen zoals Seynaeve zijn plakboeken... en verbrandden Griekse, Hebreeuwse manuscripten... de kiemen van de ketterij.'

'Haar kleren, haar juwelen,' zei Louis. 'Heeft Madame Laura die niet meegenomen?'

'Nee,' zei Holst wantrouwig. 'Daar draag ik zorg voor.'

'Maar ge hebt toch een gedacht waar zij zo hals over kop naartoe kan gegaan zijn? Naar Amerika, met een Amerikaan?'

'Hals over kop,' sputterde Holst, hernam: 'Hals over kop.'

Louis draaide aan de knop van de radio. Een kinderkoor zong met geknepen stemmetjes Miserere, tien twaalf keer na mekaar, door mekaar, de klacht golfde, verstrooide zich in flardjes die fabelachtig weer samenklitten, een Gesticht vol engelen.

==

Tante Violet was voor de zoveelste keer uit Brussel teruggekomen.

'De vijfde keer,' zei Meerke.

In haar knellende grijze deux-pieces, met een iets bleker Tirools hoedje op, een frivole bebloemde zijden sjaal die haar kinnen bedekte, op verpleegstersschoenen met een bolle top en verstandige blokken van hakken, schuifelde zij binnen, gooide haar slangenleren tas met een smak in Meerkes rieten zetel en stampte naar boven.

'Zonder boe of ba,' zei Meerke. 'Sedert dat zij geen school meer doet heeft zij geen manieren meer.'

'Zij eet te veel omdat zij geen man kan vinden en zij kan geen man vinden omdat zij te veel eet,' zei Meerke. 'Gelukkig dat die charlatan nu naar Frankrijk of ik weet niet waar vertrokken is. Niemand op 't Ministerie mag zijn adres geven. 't Schijnt dat Violet daar in de bureaus heeft staan stampen van koleire.'

'Om hare Hugenoot?'

'Zeg maar: Protestant.'

'De Hugenoten zijn Protestanten, Meerke.'

'Waarom noemen zij zich dan Hugenoten? Op 't Ministerie weten ze niet waar hij is, maar de cadeaus van Violet Bossuyt, die manchetknopen, dat zijden hemd, dat abonnement op de bijlage van de Winkler Prins, die weten ze wel waar te zenden. Nu moeten we direct zeggen dat hij nobel werk heeft gedaan, Konrad, een echte Sint Franciscus, niets was hem te veel, dag in dag uit met zijn jeep door 't land bij al de politiekers en de krijgsauditeurs gaan pleiten voor genadeverzoeken, hij heeft veel zwarten gered, dat moet gezeid zijn.'

Zij legde haar wol opzij, keek door het raam naar de garage waar haar lieveling Nonkel Omer zat, lag of ijsbeerde. Zij nam de breipennen weer op.

'Hugenoot,' zei zij schamper. 'Een geluk dat hij gevlucht is. Anders vloog hij ook de bak in en ging ze hem alle dagen opzoeken met bananen en nootjes en vers ondergoed.'

'Gevlucht, Meerke?'

'Ach jongen, laten we erover zwijgen. Het leven is het leven.' Maar zij kwam erop terug natuurlijk, de roddelprofetes, en na veel boosaardig gerekt geweifel zei zij dat Konrad, ook tijdens de oorlog, opgesloten bij Jules de timmerman, nooit opgehouden was met zijn hagenprekerij, meestal 's nachts in schuren. De hele oorlog lang zegende hij boeren en boerinnen en gebood hij hun boekweit te eten. Maar nu had zijn ketterse leer hem achterhaald want een jeep met Poolse soldaten had de dochter van Vissenaken op een landweggetje gevonden, bloedend en met een kind nog aan haar vast met de navelstreng. Zij wilde niet mee in de jeep, maar zij was te zwak. Want dat was een van de duivelse Hugenootse reglementen. Als ze ziek waren mocht er geen dokter bij. Als zij voelden dat een kind geboren zou worden moesten ze de vrije natuur inlopen tot ze niet meer konden en dan gaan liggen met hun buik naar de zon of de sterren.

'En was dat kind van de dochter van Vissenaken...'

'Het is blijven leven. Maar dat maakt geen verschil voor het gerecht. Onze Lieve Heer moet zijn getal hebben en alleman mag zijn eigen godsdienst hebben, dat staat in de wet, maar zoiets gaat over de schreef.'

'Maar was dat kind van hem, van Konrad?'

'Hoe kunt ge dat ooit weten, jongen? - hij heeft veel boerinnen gezegend in hun schuur en niet alleen met Hugenoots wijwater. En uw tante, op een dag begon ze koortsblaren op haar lip te krijgen, de een na de andere. Voor mij heeft ze dat van hem gekregen. Ze heeft er creme op gedaan en het is weggetrokken, dat wel, maar ik ben toch achter haar rug naar pastoor Mertens getrokken om het te vertellen. - Ik zeg nu wel dat hij naar Frankrijk gevlucht is, maar hij sprak nogal dikwijls over Zwitserland, over Zwingli in Zwitserland. Pastoor Mertens zal wel weten waar dat ligt.'

==

Hij zwierf in steeds nauwere cirkels rond Michele's huis maar durfde niet aan te bellen. Want als hij zou bellen zou zij niet opendoen. En als zij zou opendoen zou zij vragen: 'Jongen, wat kan ik voor u doen?' Overigens, zij was het die zich schaamde over haar borstpartij, dus was zij het die, op haar fiets, langs 'Zonnewende' moest komen hunkeren. Het irriteerde hem dat hij een tweede nummer van Les Nouvelles Litteraires had moeten kopen. Raf was niet thuis. Hij had geen zin om naar Holst toe te gaan, hem te storen terwijl hij geknield lag voor een foto van Madame Laura, beschenen door een kerstboomkaarsje.

Vanuit de oprijlaan, tussen de dahlia's, hoorde hij Mama een brief van Papa voorlezen, een vertrouwelijk, kalm geluid. In de achterkeuken schopte hij tegen een rij klompen, de lezing stopte abrupt. Ongelovig zag hij Tante Violet, Meerke en Anna die aan de tafel zaten. Op het zeildoek voor hen stonden kopjes koffie en een okergele cake, de vrouwen keken naar Mama die rechtop stond met in haar hand zijn schrift, het in verschoten bruin linnen gebonden, langwerpig kasdagboek. Zij sloot het boek met een unheimlich klapje.

'Zet u, Louis,' zei Meerke. 'Een stukje cake? Het is Anna's moeder die hem gebakken heeft.'

Hij sprong op zijn moeder af, zij ontweek hem, hield het schrift ver van hem af, zij zou het naar Tante Violet gooien als bij basketbal, en die naar Anna, het was een vrouwenteam. Het kwaad was geschied. Maar die vrouwen, over wie hij heerste en die hij bij Raf zijn 'harem' had genoemd, schenen de monsterlijke omvang van hun overtreding niet te beseffen. Kome wat komen moet.

Hij hapte in de cake, propte zijn mond vol.

'Het is wreed schoon wat ge geschreven hebt,' zei Meerke.

Tante Violet knikte. 'Wij hebben ons hier al een kwartiertje goed geamuseerd, Anna vooral. Maar ze verstaat zekere uitdrukkingen niet.'

'Het is toch over ons, ik wist het,' zei Mama en hield het schrift onder haar oksel. Warm schrift.

'Het gaat helemaal niet over u,' zei Louis. De helft van de cake was op, Tante Violet sneed gauw een brokkelig stuk af.

Mama leunde met haar breedgeworden billen tegen het aanrecht, bracht het schrift naar haar neus, en las voor met een deftig afstandelijk timbre.

'Er heerste een element van grote zelfzuchtigheid onder alle bewoners van de protserige villa.'

'Protserig,' zei Anna, 'dat is nu zo'n woord, ik heb dat nog nooit gehoord, is dat Hollands?'

'Dat wil zeggen: pretentieus,' zei Tante Violet. 'En houd nu uw mond.'

'Eenieder zat vergenoegd zoals in de schil ener banaan, gaf geen zier om wat er zich in de buitenwereld afspeelde en zorgde er voornamelijk voor zich te omgeven met alles wat mode en luxe kunnen aanbieden. In het bijzonder was dat alzo bij de vrouw die haar meest moederlijke plichten verzuimde en in de ergste onzedelijkheid kon vervallen.'

'Onredelijkheid!' riep Louis.

'Het is omdat ge nooit een slingertje onder uw 'z' zet,' riep Mama harder. Zij hernam. 'Zij, zij bracht namelijk haar leven door in de zon van haar eigen egoisme en dacht daardoor niet aan de schaduwen die door haar zelfzuchtigheid vielen over haar nabestaanden die de verheerlijking van haar zelf, een verguldsel van haar wezen, moesten ondergaan elke dag die de Heer schiep...'

'Waar haalt hij toch die zinnen en die woorden?' zei Meerke.

'Hij kan er zo een schone draai aan geven,' zei Anna.

'Ondertussen is het over mij dat hij kwaad spreekt,' zei Mama.

'Mode en luxe, dat is overdreven,' zei Tante Violet, 'wij komen niets tekort, maar mode en luxe, Louis... wat is er?'

Hij kon het niet tegenhouden. Hij dacht dat hij even afstandelijk als haar voorleestoon de droesem van deze kelk had kunnen drinken. Hij schaamde zich diep dat Anna het zag, maar hij zag de keuken en de verraadster in een waas, proefde het zout van tranen.

'Ge moet u dat niet zo aantrekken.'

'Wij vinden het allemaal schoon.'

'Louis,' zei Mama, als tegen de tekkel Bibi Zwo.

Nu wist hij waarom zijn traanklieren hadden gewerkt. Omdat in Mama's gevoelloze onbeklemtoonde voorlezing zo onherroepelijk duidelijk was geworden dat het talentloze, onwaardige onzin was die zij las.

'Ik weet niet of de mensen zoiets gaarne lezen,' zei Meerke. 'Want wij weten dat het van u komt, wij kennen u.'

'Lees een beetje verder, Madame Constance,' zei Anna.

'Nee, genoeg!'

'Doe niet zo kinderachtig, Louis. De mensen van Het Laatste Nieuws gaan het ook lezen, waarom wij niet!'

'Lees het einde, Constance, dat we een gedacht krijgen van het geheel.'

Mama sloeg de pagina's om. '...bijna zonder enige inspanning orgelde de melodie uit de keel van Mevrouw Horforet en toen stierf de laatste noot weg, rein en zuiver als de klank van trillend kristal. Zij stortte uitgeput maar verzaligd neer op de canape. Meneer Horforet wiens gemoed vol zon was geweest vroeg zich af welke bevelen uit haar lippen zouden vloeien en of hij haar blindelings zou gehoorzamen.'

'Is het dan gedaan?' vroeg Meerke.

'Meer staat er niet.'

'Het is een raar einde,' zei Anna.

'Een opmerking,' zei Tante Violet. 'De noot stierf weg en zij viel op de canape. Wie? De noot?'

'Maar nee, Mademoiselle Violet. Het was die vrouw natuurlijk,' zei Anna.

'Ik viel op de canape,' zei Mama. 'Ik.' Zij gleed van het aanrecht, en lag met haar hijgende borst in het schort van katoen-mousseline tegen de tafel, zij legde haar gezicht, mat van het rijstpoeder Tokalon tegen het zeil en sperde haar grijze spottende ogen waar ooit gouden spikkeltjes in flonkerden. 'Zo lag ik uitgeput maar verzaligd.'

Zij richtte zich op. 'Gij gaat de prijs van Het Laatste Nieuws winnen. Wedden?'

'Als 't allemaal zo schoon geschreven is, zeker,' zei Meerke.

'Die vrouw, die mevrouw Horforet, doet mij denken aan de hertogin van Windsor,' zei Tante Violet. 'Ook zo'n egoiste.'

De cake was op. Louis plette kruimels met een natte wijsvinger, at ze. De cake was droog, bleef steken in zijn keel. Hij moest niezen. Hij trachtte het tegen te houden. Tranen, niezen, zaad ophouden. Toujours sourire. Op de knieen van zijn Manchester broek vielen twee wijde druppels bloed, het bloed liep in zijn mond. Meerke zag het als eerste en riep: 'Jongetje!'

Hij ving Anna's blik op vol walg en vrees. Meerke hield een natte handdoek tegen zijn neus. 'Laat mij,' zei Mama. Zij kneep zijn neus dicht met twee warme vingers. Zij hield zijn hoofd achterover tegen haar borst. 'Wacht,' zei zij. 'Stilletjes, het is niets.'

Uit haar schortzak haalde zij een van haar belachelijke ragfijne zakdoekjes. Het werd rood. Toen waste zij met de natte zakdoek zijn wangen, zijn lippen. Hij beet in de zakdoek. Langs de top van zijn Seynaeve-neus loensend zag hij de bijna onbewogen, wrede blik die zich in hem haakte, terwijl ze murmelde en hem tegen zich aanduwde. In geen jaren was hij zo dichtbij haar geweest.

'Frau Seynaeve,' zei hij als een van de simulanten in de infirmerie van de erla die zich verminkten om bij haar te zijn. Onafhankelijk van hemzelf ging zijn hand naar omhoog en kroop als een bevrijd koel kalm vlezig dier langs haar schouder, haar keel, haar kaakbeen.

'Blijf liggen,' zei zij.

Zijn vingers streelden haar wang. Hij zag de attente wijven om hen heen en sloot zijn ogen, wreef zijn nek tegen zijn moeders borst, ik mag dit nooit vergeten, blijdschap is iets dat bestaat. Mama.

'Stil,' zei zij maar het was bestemd voor de andere vrouwen, die de keuken begonnen op te ruimen. Hij bleef zijn ogen dichtpersen. Zij draaide haar bovenlijf zodat zijn hand wegviel en toen was hij weer een kind als alle andere of als Ivo Liekens van wie men zei dat hij tot zijn vierde jaar aan de borst van zijn moeder had gehangen of als die kinderen aan de Orinoco op wier schouders de moeders een gevlochten grasmat vol termieten drukken om ze te harden tegen allerhande verdriet in het verder leven, zij duwde hem zachtjes, zeer traag weg van haar fluwelen, geurende warmte. 'Ga wat op uw bed liggen,' zei zij.

Hij nam zijn schrift mee naar boven. Met zijn hoofd ver achterover scheurde hij het, zoals op de kermis in Walle de Sterkste Man van Vlaanderen telefoonboeken vaneen reet. Hij verbrandde het schrift in zijn potkacheltje, pookte in de zorgvuldig geschreven regeltjes, in de blauwe vlam, de witte rook.

Hij werd wakker met een korst in zijn neusgaten. Hij pulkte. Begon aan een nieuw schrift. Mama was nog zo stom niet toen ze vroeg of zijn verhaal over het Gesticht van Haarbeke ging. Gejaagd als Papa, koud als Peter tijdens zijn leven (en zeker nu, grijnsde Louis) schreef hij: 'Dondeyne had een van de zeven Verboden Boeken onder zijn schort verstopt en mij meegelokt.' Hij schrapte het woordje 'mij' en verving het door 'Louis'.

==

Theo van Paemel trok een grimas terwijl hij met beide handen zijn kuit beetnam en vijf centimeter van zich af zette. 'Het is geen lachspel, zo'n been, vooral daar ik heel de tijd op de been ben, van hier naar ginder, ik weet niet meer waar mijn hoofd staat, maar ik moest naar hier komen, ge weet hoe ik u altijd gerespecteerd heb, Constance.'

Hij vertelde dat hij nu pas teruggekomen was uit Holland. De sd had daar lelijk huisgehouden en hij had daar nog alle moeite van de wereld gehad om zijn positie te verklaren. 'Want de Hollanders verstaan geen kloten, Constance. Zij interesseren zich helemaal niet aan Belgie. Ge waart bij de rex-isten, zeiden ze en ze bedoelden het Einsatzkommando van de West-Vlamingen. Een grote muil over de collaboratie van de Vlamingen maar aleens niet weten hoe de verschillende formaties heetten. Enfin. Ik zeg: ''Ja, ik was bij de sd, officieel, ge kunt de dossiers nakijken." Zij wilden mij gelijk de handboeien omdoen. Ik zeg: ''Hola, telefoneer eerst eens naar die of die numero." Zij wilden niet. Ik zeg: ''Hola, mannekes" en ik heb zo een naam of twee drie laten vallen. En toen ze getelefoneerd hadden was het van ''Excuus, zeg!" en ''Sorry hoor!" Enfin. Waarvoor ik gekomen ben. Toevallig ben ik op een vergadering van onze Liga eergisteren, die is opgericht in augustus Veertig, want wij waren de eersten, Constance, om tegen de nazi's te opereren, wij hebben niet gewacht op Radio Londen. En wat hoor ik? Dat onze kameraad, de politiecommissaris Van Dieken, die wij onder ons natuurlijk het Kieken noemen, op stap is geweest de dag tevoren met John Wallaert van Outryve, dat is normaal, Van Dieken en Wallaert zijn gezworen kameraden, twee schone smeerlappen die elkaar gevonden hebben. En, af en toe, zo een keer of twee in de week doen ze de toer van alle vrouwen van Zwarten die binnen zitten. Ge ziet van hier dat ze getrakteerd worden, zuipen en smeren, om van de rest niet te spreken, ge verstaat mij, al die vrouwen peinzen dat als ze maar goed staan met de krijgsauditeur... Wel ja, nog een druppelke. Alhoewel dat ik absoluut niet mag van de dokter voor mijn been... Nu komt het schoonste, Constance. Die propere baron van mijn kloten Wallaert van Outryve is dan maar 's morgens thuis toegekomen, en wat vindt hij thuis? Heel zijn familie, zijn moeder, zijn zusters, de moeder van zijn vrouw, heel de hutsekluts, want die nacht had zijn vrouw een kleine gekregen, en met zijn zat hoofd is hij op de grond gaan liggen schreien van contentement.

Enfin, wat de kwestie is, Constance, en waarvoor ik kom, omdat ik u respecteer, die Wallaert, vooral nu dat zijn vrouw uit de circulatie is, is een hete bok lijk geen tweede, hij is, om het op zijn schoon-Vlaams te zeggen, gevoelig voor vrouwelijk schoon. Zodat het misschien geen al te slecht gedacht zou zijn, moest ge hem persoonlijk gaan bezoeken, in alle eer en deugd, wel te verstaan, dat spreekt vanzelf.'

Mama knikte. Louis knikte. Van Paemel beschikte.

'Maar meneer van Paemel, als gij zo tegen de Duitsers waart, waarom hebt ge dan in het College Ceusters en De Coene opgehaald met de sd?'

Theo van Paemel draaide het leeg kelkje tussen zijn vingers. Louis schonk in.

'Ik ben tegen iedereen,' zei hij. 'Omdat iedereen mij nodig heeft.' En Mama knikte alsof zij dit begreep, alsof zij het daar mee eens was.

'Ge moet leren verder kijken dan uw neus lang is,' zei Van Paemel. ''t Is daarom dat ik nu een tijdje wacht om naar Walle terug te gaan. De meeste mensen peinzen dat zij mij gezien hebben als handlanger van de Duitsers.'

'Maar, meneer van Paemel, zij hebben u toch gezien.'

'Als wat? Ik weet zelf soms niet meer waar mijn hoofd staat, bij de sd of bij de Surete Generale, hoe kunnen de meeste mensen het weten?'

==

Een donkerblonde vrouw, die nu kastanjebruin geverfd is met nog een glans van de vorige rode spoeling, en nog goed bewaard is, niettegenstaande haar zevenendertig jaar, alhoewel getekend door het heimelijk ongemak dat melancholia heet, trad vastberaden het kantoor binnen van de vertegenwoordiger van het Belgische gerecht.

(Als ge nu mijn nieuw schrift inkijkt, Mama, maak dat ge wegkomt.)

Een dame op leeftijd, mijn moeder, wandelde gezwind de kamer binnen van de krijgsauditeur.

(Mama, ga weg, zeg ik u!)

In de schaduw van het Belfort, op de hoogte van een van de twee emblemen van Gent-vast-als-cement (het eerste de vuurspuwende draak zijnde), namelijk de Mammelokker, een uitgemergelde grijsaard die in zijn gevangencel de welige borst krijgt van zijn dochter, had op de tweede verdieping van een imposant negentiende-eeuws gebouw het krijgsauditoriaat zijn burelen. Mevrouw S., kettingrookster, hijgde van het nochtans korte trappenklimmen, stootte een gecapitonneerde deur open en trad in de zondoorvlamde ruimte waar de krijgsauditeur haar opwachtte.

De man was niet alleen van kleine adel maar ook als persoon onaanzienlijk. Zoals kleine naturen op belangrijke posten plegen te doen boog hij zich geruime tijd met een gewichtig air over papieren. Mevrouw S. vertikte het om haar aanwezigheid te onderlijnen. Wel kreeg zij een blos van ergernis. Want zij kon op ditzelfde ogenblik niet vluchten, zij was namelijk op de eerste verdieping achter de rijkswachter zijn rug geslopen. Indien zij nu, achternagezeten door de krijgsauditeur aan wie zij een klinkende mep had toegediend, in die rijkswachter zijn armen viel, zou deze menen met een Zwarte Charlotte Corday te doen te hebben, met de bommelbaron Zeep als schamele Marat. Mevrouw S. was laf en kuchte.

De krijgsauditeur zei: 'Mevrouw, uw zaak staat er niet goed voor.'

'De zaak van mijn echtgenoot.'

De krijgsauditeur monkelde superieur, schroefde zijn bril vast op zijn neus. 'Uiteraard heb ik het dossier nog maar vluchtig kunnen inkijken maar wat ik er ontwaard heb is van zo'n aard dat ik u ernstig moet vragen uw insisterende houding te milderen. U heeft voorspraak, vooraanstaande politieke figuren hebben, ongetwijfeld onder druk van het bisdom West-Vlaanderen, gunstige verklaringen afgelegd, desalniettemin...'

'Zelfs bij een vluchtige studie moet uw juristenoog geregistreerd hebben dat de aantijgingen...'

Hij hief bezwerend maar onwennig zijn pols met gouden horloge, als een verkeersagent de eerste dienstdag in een kalm kwartier. 'De aanklachten zijn legio. En moeten stuk voor stuk sereen onderzocht worden.'

Vanachter een oosters, strakgespannen zijden paravent waarop kraanvogels en hibiscusbloemen in een eeuwig bevriezend vlak vastgepind zaten (de oosterling kent geen perspectief of wil het niet kennen) hoorde Mevrouw S. het geschraap van een keel dat zij voor een blijk van instemming hield en het verschuiven van een stoel.

'U bent ongeduldig, mevrouw. In uw plaats zou ik dat ook zijn. Maar elementaire fair play gebiedt dat iedereen gelijkberechtigd wordt. Kijkt u zelf.' Hij wees met het gebaar dat straks in het Paleis der Gerechtigheid zou dienen om met zwarte wijde mouwen het hoofd van een landverrader te eisen. 'Wij zijn pas aan de letter D beland.'

Onwillekeurig strekte Mevrouw S. een aarzelende hand in de richting van de hoge stapel dossiers.

'U kunt moeilijk insinueren dat ik de volgorde van het alfabet dooreen zou halen.'

De vrouw stak zonder toestemming te vragen een Lucky Strike op.

'En de behandeling versnellen zou ten koste gaan van de zorgvuldigheid. Wij beschikken gelukkig over competent personeel, maar onze tijd op aarde is beperkt, Mevrouw S.' (De s gesist als een heks, omineus, sardonisch.)

'U heeft dus geen tijd?'

'Mevrouw, ik werk hier dag en nacht zonder dat er overuren betaald worden zoals usance is in de prive-sector waar uw man in bedrijvig was.'

'Hoe laat was u hier vanmorgen, mijnheer de auditeur?'

Achter het orientaals paneel weerklonk een waarschuwend en tegelijkertijd geamuseerd hoestje.

'Mevrouw, het past u ten enenmale niet om mij een verhoor af te nemen. Ik vrees dat u de rollen omkeert.'

'Hoe laat zijt gij uit uw nest gerold?' zei Mevrouw S. met bonkend hart. 'En hoe laat zijt gij er in gerold?'

'Mevrouw...'

'Natuurlijk hebt gij geen tijd om een dossier te onderzoeken als gij hele nachten wallebakt, de vrouwen van Vlamingen lastigvalt en u met uw kornuiten strontzat zuipt op de kosten van gevangenen.'

Het verbouwereerd schichtig gezicht van de krijgsauditeur vertoonde de van smart gefronste menselijke trekken die men getekend ziet op de zolen van voeten waarvan de tenen eksterogen hebben als verschrikte mensenogen, met uiteenspattende straaltjes en streepjes, die Saltraten Rodell aanbevelen, helende zouten die de eksterogen verzachten tot diep in de wortels zodat men algauw schoenen van een volle maat kleiner kan dragen, zoals de moeder van Mevrouw S. weldra hoopte te doen.

==

'Hij verschoot zich dood!' Mama veegde juichend van triomf met haar mouw een asbak van de keukentafel. ''t Geeft niet,' schreeuwde zij. 'Ik betaal er u vijf nieuwe.'

'Ge zoudt beter uitscheiden met roken, dan hebben wij hier in huis geen asbak meer nodig,' zei Tante Violet.

'Vertel verder,' zei Meerke.

'Ik was opgewonden lijk een horloge. Ik kon niet meer stoppen. Ik zette mijn grootste muil op. Ik zeg: ''Stuk crapuul, ge laat godverdomme uw wijf uwe kleine kopen binst dat ge u een stuk in uw kloten zuipt!" - ''Maar Madame toch," piepte hij, ''in godsnaam, denk aan mijn positie." Ik zeg: ''Gij, gij had aan uw vrouw moeten peinzen, die in positie was!" - ''Maar ik heb haar een vakantie beloofd in Nice. Vraag het haar!"'

==

Het was in de onmiddellijke omgeving van mevrouw S. bekend dat als zij eenmaal op de denderende trein van haar woede zat, het moeilijk afremmen was. Dit houdt verband met het feit dat ze in dergelijke gevallen migraine voelde opkomen (iets wat in het dierenrijk veelvuldig voorkomt, vide de studies van de Veeartsenijschool van Pennsylvania over de relatie van ontevredenheid en koppijn bij runderen).

Mevrouw S. zwiepte met haar kolerieke linkerhand langs de stapels dossiers, de dossiers lieten hun omslagen en de omslagen lieten hun papieren los waartussen nummers van Paris-Hollywood, en deze wiekten en landden door heel het kantoor. Mevrouw S. stortte zich op het paravent en trok eraan.

Later verklaarde zij dat ze op dat ogenblik van verblinding in de mening verkeerde, afgaande op de door slapeloosheid en geestrijk nat afgetobde gelaatstrekken van de auditeur die een totale paniek uitdrukten, dat er zich achter het kamerscherm (met de voor de hand liggende connotaties van frivoliteit en libido die zich aan haar opdrongen, onder andere omdat zij een foto gezien had van het interieur dat de vrouw van Holst vroeger gehad had in Brussel en dat ingericht was door een decorateur op de aanwijzingen van de huidige minister Baelens) een van de ongelukkige vrouwen bevond met wie hij de vorige nacht op zwier was geweest, de echtgenote of de zuster of de dochter van een gekend inciviek, dus een van haar zusters. Niet dat zij die zuster van enige oneer wilde redden. Het was eerder vrouwelijke nieuwsgierigheid en vooral die blinde drift, die woede die spoot (zoals er in Nieuw-Zeeland een streek is waar de aardkorst zo dun is dat er een straal stoom uitspuit als men er zijn wandelstok tot op een zekere diepte insteekt, Mevrouw S. had een dunne huid en de Heer Krijgsauditeur Wallaert van Outryve was de wandelstok).

Het kamerscherm neeg, kantelde en smakte tegen de hoestende figuur die opsprong en de zijden kraanvogels tegenhield. Het was een klerk met een buitensporig grote schedel. Hij kreeg het scherm overeind en boog, zei een beleefdheidsformule die onvermeld moet blijven omdat hij op dat ogenblik een Tintenkuli-vulpen dwars in zijn mond had.

'Mag ik u mijn vriend Daniel Villiers de Rodebeke voorstellen die thans mijn stagiair is maar in een zeer nabije toekomst mijn associe wordt.'

De vulpen vond haar weg achter de stagiair zijn oor. 'Ik heb niets, maar dan ook niets gehoord,' zei het bijna-waterhoofd.

'Ik ook niet,' zei de auditeur en op dat ogenblik had hij het voorkomen van iemand die normaliter een spreekhorentje nodig had.

==

'Ik zeg ''Wat?"' zei Mama. ' ''Wat? Moet ik uw oren uitkuisen?" - ''O, alstublieft niet, Madame!" zegt hij. ''Ik wou u alleen maar zeggen, dat wat er in dit bureau gezeid geweest is, niet buiten deze muren mag." - Ik zeg: ''Wat? Ik ga mij generen! Ik telefoneer vandaag nog naar De Gazet van Antwerpen." - ''Madame," zegt die charlatan van Villiers de Rodebeke, ''zou natuurlijk bij ons een verklaring kunnen indienen dat zij ziek is, met het attest van een serieuze dokter." - ''Dat zou een groot verschil kunnen maken," zegt de andere, ''al het verschil van de wereld."'

'Villiers de Rodebeke, ik moet dat kennen,' zei Tante Violet, 'is dat niet van de tak die in Lootenhulle woont, op 't Wit Kasteel?'

'Nu moet ik zo rap mogelijk naar Dokter Vandenabeele om een attest.'

'Zeg dat ge 't aan uw nieren hebt. Dat ze geblokkeerd zijn. Dat is niet na te gaan,' zei Tante Violet.

'Of dat ik een serieus gebrek aan kalk heb,' zei Mama. Het was tegen Louis gericht. Zij keek naar hem, naar zijn tanden, naar zijn vingernagels die reeds van in haar buik haar kalk hadden opgeslorpt.

==

Op een namiddag als een andere belde Tante Berenice aan de voordeur van 'Zonnewende' waar nooit iemand aanbelde.

'Ik durfde niet direct langs achteren te komen,' zei zij.

'Ik verschoot mij dood,' zei Meerke, 'ik dacht dat het een telegram was.'

'Mag ik binnenkomen, Moeder?'

'Maar Berenice toch!'

'Ik wilde eerst een kaartje schrijven, maar ik dacht: zie dat ze niet antwoordt.'

'Ge zijt wel gekomen.'

'Louis, ge zijt lijk een andere. Helemaal anders.'

'Hoe dat, Tante?'

'Ik zal het u morgen zeggen. Ik moet er over nadenken. Ge kent mij, het moet bij mij nogal precies zijn. Of zeg ik iets verkeerds?'